Bij de eerste zonnestralen gaat het tempo omhoog. Tijd om glucose te maken. Fotosynthese aan, huidmondjes open en zoveel mogelijk zonlicht vangen. Gisteren is blad nummer negen uitgeklapt, vandaag staat nummer tien op het programma.
Bloeien. Dat is waar het allemaal om draait. Zaden maken. Nakomelingen achterlaten en hopen dat er volgend jaar weer een compleet veld soortgenoten staat.
Ze ademt eens diep in en neemt een grote slok bodemvocht.
"Aahhhhhh."
Stikstof. Heerlijk! Met een vleugje fosfaat, voor sterke stengels. Mensen hebben het altijd over een stikstofcrisis, maar voor een brandnetel voelt het alsof iemand de koelkast heeft bijgevuld.
Naast haar probeert een madeliefje nog dapper zijn kop boven het gras uit te steken, op zoek naar nog een klein beetje zonlicht. Tevergeefs.
"Ja jammer joh, alles is voor Bassie.”.
Concurrentie hoeft ze niet te bevechten. Ze groeit er gewoon overheen. En pikt dan al het licht weg.
Blad nummer tien is in de maak. Morgen elf. Overmorgen twaalf. Breed genoeg om alles eronder in de schaduw te zetten.
Het belooft een prachtige dag te worden. De zon staat hoog, de bladeren staan als zonnepanelen perfect gericht. Nu is het alleen nog wachten op een beetje wind die het stuifmeel kan meenemen.
Dan ploft er iets op haar stengel.
Een spuugbeestje. Gatver.
De viespeuk zuigt als een bezetene aan haar blad en brouwt er een schuimend goedje van. Het is een beschermde bobbel tegen zon, wind en hongerige jagers. Ongevaarlijk, maar echt fris is het niet.
Lastig is ook het gekietel aan haar stengel: de rups van een dagpauwoog.
"Nee niet daar!"
De rups knabbelt onverstoorbaar verder.
Rupsen, bladluizen, spuugbeestjes. Het jeukt en kriebelt, maar het richt nauwelijks schade aan. En ergens is het een soort vriendendienst.
Erger zijn de gasten die niet één hapje nemen, maar de hele plant willen opeten.
Gelukkig staat ze er niet alleen voor.
Zodra een blad beschadigd raakt, maakt ze ethyleen aan. Een onzichtbaar waarschuwingsgas dat ook haar familieleden oppikken. Binnen de kortste keren bereiden ook zij zich voor op ongenode gasten en zetten hun afweer op scherp. Een brandnetelveld lijkt misschien een verzameling losse planten, maar onderling wordt er verrassend veel gecommuniceerd. En als ethyleen niet werkt, zijn er nog altijd de brandharen.
Dan opeens klinkt er in de verte geblaat. Schapen.
Daar heeft werkelijk niemand een antwoord op bedacht.
Waar de brandharen mensen, konijnen en reeën zo netjes afstand houden, lijken ze op schapen totaal geen indruk te maken. Die wandelen dwars een veld in en eten alsof ze in een sterrenrestaurant zijn beland.
"Lijp volk."
Vandaag slaan ze gelukkig af richting een ander weiland.
De zon zakt achter de bomen. Ze heeft weer een dag gewonnen. Blaadje tien is af, de bloemen staan open en de schapen zijn doorgelopen.
Om haar heen golft een zee van brandnetels in de avondwind.
Waar vroeger margrieten, boterbloemen en knoopkruid stonden, groeit nu vooral... meer brandnetel.
Voor haar is dat een groot succes.
Voor de dagpauwoogrups trouwens ook.
Maar voor al die insecten die juist die andere bloemen nodig hebben, wordt de wereld met de dag een stukje kleiner, eentoniger, onzekerder...
Niet haar probleem.
Haar missie is om duizend bloemen te laten bloeien. En dat lukt. Met dank aan de overvloedige stikstof.