Gisteren pas uitgeslopen uit haar cocon. Eerst waren ze nog helemaal opgefrommeld en zacht, waarna al die kleine adertjes volgepompt moesten worden tot de vleugels strak en hard genoeg waren om mee te vliegen. Best een proces. Maar goed. Ze doen het.
Nog voordat ze goed en wel wakker is, hangt er al een mannetje naast haar in de lucht te zweven.
Serieus. "Doe even rustig. Eerst eten."
Mannetjes komen uit hun cocon en denken meteen aan voortplanten. Zij niet. Eerst nectar, eerst stuifmeel, eerst zorgen dat er genoeg energie binnenkomt om eitjes te maken. Daarna praten we wel verder.
Ze warmt even op in de zon en stijgt dan op. Rustig optrekken, naar een lekker tempo van zo'n 200-300 vleugelslagen per seconde. Daar gaat ze: een pyjamazweefvlieg. Klein, geelzwart gestreept, en door mensen steevast aangezien voor een wesp. Alsof niemand ziet dat ze veel kleinere antennes heeft en totaal geen angel.
Ze vliegt langs bloemen, maar veel levert het niet op. Hier wat nectar, daar een leeg bloemetje. Groen is het wel, maar de hoeveelheid bloemen is bedroevend laag. Tijd om hogerop te zoeken. Ze landt op het hoogste object in de buurt. Een mens.
Lekker warm, best comfortabel. Totdat het mens begint te gillen: "HOORNAAR!"
Daar komt de vliegenmepper al. Ze schiet nét op tijd weg. Alles wat geelzwart is moet blijkbaar onmiddellijk dood. Mensen zien haar zelfs voor een Aziatische hoornaar aan. Echt? Die beesten zijn vier keer haar formaat. Idioten.
Verontwaardigd zweeft ze verder. Nog steeds hongerig. In de verte ligt een enorme akker. Eindeloos veel bloemen. Eindelijk, denkt ze. Maar zodra ze dichterbij komt, voelt het vreemd stil. Geen gezoem. Geen andere zweefvliegen. Geen bijen.
Tussen de bloemen liggen lichamen. Een hommel op zijn rug in het zand. Kleine zweefvliegen bewegingloos tussen de stengels. Verderop hangt er eentje half over een bloem, alsof hij tijdens het eten gewoon is gestopt met bewegen. Ze landt naast een andere pyjamazweefvlieg. Geen reactie. Ze tikt even met haar poot tegen het lijfje. "Jeetje..." Niets. De bloemen ruiken scherp. Bitter bijna. Niet zoals bloemen horen te ruiken. Ze stijgt snel weer op. Weg hier.
Dan gaat het ineens hard. Eerst een koolmees die uit een struik op haar afschiet. Ze duikt omlaag. Nauwelijks bekomen moet ze even later alweer wegduiken voor een nachtzwaluw die met open bek door de schemering jaagt.
"Rustig! Ik probeer alleen maar te eten!"
Ze vliegt lager, dichter langs de kruiden. Minder overzicht, maar ook minder kans om midden uit de lucht geplukt te worden.
En dan vindt ze het. Witte schermbloemen, vol stuifmeel. Ze landt en duwt haar kop diep tussen de bloemen. Nectar, stuifmeel, nog meer nectar. Meteen kleeft er weer een laag geelwit poeder aan haar haren. Hiervoor doe je het.
Naast haar verschijnt opnieuw een mannetje. Ze kijkt even op. Is dat nou diezelfde gast van vanochtend?
"Oké dan. Eén gesprek."
Beneden in het gras scharrelt ondertussen een gruttokuiken rond. Nog wat wankel op z'n poten, maar voortdurend op zoek naar insecten. Alles verdwijnt naar binnen. Ze merkt hem pas op wanneer het al te laat is. Een snelle beweging vanuit het gras, een korte schaduw en dan verdwijnt ze samen met een wolkje stuifmeel in de snavel van het kuiken. Het gruttojong scharrelt direct weer verder.
Ook hij heeft tenslotte honger.