Nieuws

Waarom we sommige graslanden al vóór 15 juli maaien

  • 13 juli 2026
  • Natuurbeheer
  • Leestijd 4 minuten

Het is in het Drentsche Aa-gebied ieder jaar een vertrouwd gezicht: onze boswachters en pachters die de vele graslanden maaien. Dat doen we niet alleen om het landschap open te houden, maar vooral om bijzondere natuur te behouden en verder te ontwikkelen. Door het maaisel af te voeren, verdwijnen voedingsstoffen uit de bodem. Daardoor krijgen bloemrijke en soortenrijke graslanden meer kans en blijven bijzondere planten en dieren behouden. Maaien is daarmee een belangrijk onderdeel van het toekomstgericht natuurbeheer in het beekdal.

Op de meeste plekken maaien we pas na het broedseizoen, vanaf 15 juli. Zo geven we broedende vogels de rust en ruimte die zij nodig hebben om hun jongen groot te brengen. Toch beginnen we op sommige percelen al eerder met maaien. Waarom doen we dat? 

Als één soort te dominant wordt 

Dat heeft alles te maken met het verbeteren van de kwaliteit van onze graslanden. Sommige graslanden verkeren in de zogenoemde witbolfase. Gestreepte witbol is een grassoort die onder voedselrijke omstandigheden zeer overheersend kan worden. Wanneer dit gebeurt, krijgen andere soorten geen kans, en kunnen de graslanden zich minder goed ontwikkelen. Op andere percelen overheerst juist pitrus. Dat zien we vaak op graslanden met natte en zuurdere omstandigheden. Pitrus vormt dichte pollen waarin andere soorten moeilijk kunnen kiemen en groeien. Hierdoor neemt de variatie in planten af. Hoewel de oorzaken verschillen, is het effect hetzelfde: een eenzijdige vegetatie met minder plek voor de bijzondere planten die kenmerkend zijn voor het Drentsche Aa-gebied. 

Twee maaibeurten voor meer biodiversiteit 

Om deze graslanden weer verder te ontwikkelen, maaien we sommige percelen twee keer per jaar. Bij percelen in de witbolfase vindt de eerste maaibeurt vroeg in het seizoen plaats, nog voordat de gestreepte witbol zaad kan zetten. Daarmee verkleinen we de kans dat de soort zich verder verspreidt en kunnen we de witbolfase doorbreken. Op percelen waar pitrus domineert, helpt een vroege maaibeurt om de groeikracht van deze soort terug te dringen en te voorkomen dat de pollen zich verder uitbreiden. In het najaar volgt een tweede maaibeurt. Door het maaisel af te voeren, voeren we ook voedingsstoffen af. Zo verschraalt de bodem geleidelijk. Gestreepte witbol gedijt minder goed onder voedselarmere omstandigheden en ook pitrus verliest dan geleidelijk zijn concurrentievoordeel. Zeldzamere plantensoorten krijgen hierdoor meer kansen om zich te vestigen en uit te breiden. 

Zorgvuldig beheer vraagt om maatwerk

Vroeger maaien vraagt echter om extra voorbereiding en veel maatwerk. In de graslanden kunnen nog vogels broeden en ook reekalfjes zoeken er beschutting. Daarnaast moeten ook zeldzamere soorten eerst de kans krijgen zich uit te zaaien voordat er gemaaid wordt. Daarom voert onze boswachter ecologie vlak voordat het maaien begint nog een extra grondige controle uit. Zo brengen we precies in kaart welke delen van een perceel ontzien moeten worden en waar het terrein het wel toestaat om te maaien. 

Dankzij deze zorgvuldige aanpak kunnen we per perceel het beheer uitvoeren dat het beste past bij de natuurwaarden én de omstandigheden die er aanwezig zijn. Want geen enkel grasland is hetzelfde: waar het ene perceel gebaat is bij het doorbreken van de witbolfase, vraagt een ander om maatregelen tegen de dominantie van pitrus. Dat betekent soms ook dat we eerder maaien dan mensen van ons gewend zijn. Juist daarom kijken we per perceel zorgvuldig wat mogelijk is zonder schade aan planten en dieren. 

Een eeuwenoude traditie in het Drentsche Aa-gebied 

Het maaien en afvoeren van gras is overigens geen nieuwe beheermethode. Al honderden jaren wordt dit toegepast in het Drentsche Aa-gebied. De natte graslanden in het beekdal waren vroeger te drassig om vee te laten grazen en werden daarom gebruikt om hooi te winnen. Door het jarenlang afvoeren van voedingsstoffen, in combinatie met de constante aanvoer van mineraalrijk kwelwater, zijn hier zeer bijzondere natuurtypen ontstaan. 

Werken aan de natuur van morgen 

Juist daarom is het zo belangrijk dat we dit maaibeheer ook vandaag de dag voortzetten. Het helpt ons niet alleen om graslanden uit de witbolfase te krijgen en pitrus terug te dringen, maar ook om de zeldzame natuur van het Drentsche Aa-gebied in stand te houden. Veel bijzondere planten en dieren zijn afhankelijk van deze bloemrijke, voedselarme graslanden. Met zorgvuldig en soms intensief beheer geven we deze kwetsbare soorten de ruimte om ook in de toekomst te blijven bestaan. Zo zorgen we ervoor dat de bijzondere graslanden van de Drentsche Aa ook voor toekomstige generaties hun waarde behouden: als leefgebied voor planten en dieren en als onderdeel van een aantrekkelijk en gezond landschap voor ons allemaal.

Over de auteur
Boswachter Jolijn Meier
Jolijn Meier Boswachter
Molensteeg 2
9484 TE Oudemolen
drentscheaa@staatsbosbeheer.nl 0592-231307
 
Meer over dit onderwerp