Nieuws
Als je in een natuurgebied bent, zie je dan de verschillende planten en bomen echt? Of ervaar je de natuur meer als een prettig groen decor en wordt je aandacht pas getrokken als een vos of een opvallende vogel zich laat zien? Voor veel mensen geldt dat laatste. Plantenblindheid heet dat fenomeen. Is dat erg? Staatsbosbeheer-huisfilosoof Jori Wolf en ecoloog Guido Verschoor in gesprek.
Jori: “Velen zien daardoor niet hoe slecht het met de natuur gaat. Als alles in de lente en zomer weer prachtig groen is, lijkt het alsof het goed gaat met de natuur. Dat het vaak eenzijdig groen is, zonder veel biodiversiteit wordt niet opgemerkt. Veel mensen vinden een weiland met hier en daar een paardenbloem al bloemrijk. Terwijl datzelfde weiland nog niet zo lang geleden misschien ook wel geel was, maar dan als dotterbloemhooiland, met vele verschillende bloeiende planten. Dat is een gebrek aan collectief natuurgeheugen. We weten niet meer hoe de natuur eruit kan zien.”
Guido: “We zijn gewend geraakt aan gifgroen; het monotone raaigras op agrarisch land. Veel toeristen die Zuid-Limburg bezoeken vergapen zich aan de groene heuvels. Natuurlijke graslanden horen in de winter bruin te zijn. Dat ze die eentonige groene weilanden mooi vinden, duidt op een gebrek aan herkenning. Als ik mensen meeneem naar de Eifel, waar nog veel meer bloemen- en kruidenrijke graslanden zijn, zien ze echt wel verschil. Daar zijn de bonte kleuren van de graslanden op grote afstand al zichtbaar. Echt plantenblind zijn ze dus niet. Maar in Nederland zijn we die plantenrijkdom niet meer gewend. Het is een gebrek aan een kleurrijk referentiekader. En hoe meer achtergrondinformatie je ergens over hebt, hoe meer het je interesseert en omgekeerd.”
Als er minder kennis is over de natuur, lopen we het risico dat we als maatschappij de lat lager leggen
Jori: “Voor het individu niet. Het is fijn dat mensen van het buitenzijn kunnen genieten, ook als het niet goed met de natuur gaat. Maar er schuilt wel degelijk een gevaar in. Als er minder kennis is over de rijke natuur, lopen we het risico dat we als maatschappij de lat lager leggen. Dit maakt het moeilijker voldoende aandacht te krijgen voor de noodzaak van goed natuurbeheer en herstel van biodiversiteit.”
Guido: “Het maakt dat veel mensen de natuur waar ze naar kijken niet ervaren als ongezonde systemen. Dat leidt tot vervlakking van landschappen, waarin ecosystemen steeds minder goed functioneren. Bloemrijke graslanden vol met margrieten en zoemende insecten verdwijnen uit ons geheugen en organisaties die zich daarvoor inzetten worden minder serieus genomen.”
Het leidt tot vervlakking van landschappen waarin ecosystemen steeds minder goed functioneren
Guido: “Als ik de schoolboeken van mijn opa bekijk, dan ben ik onder de indruk over hoeveel zijn generatie leerde over verschillende planten en bomen. Dat is erg afgezwakt. Ik denk dat we als samenleving kinderen veel meer mee naar buiten moeten nemen om zelf planten te laten ontdekken. Ook aan stadsflora valt al zoveel te zien. Natuurbeleving zou meer een onderdeel van het onderwijs moeten zijn: natuur in zijn volle breedte laten zien, ontdekken en ervaren.”
Jori: “Op Terschelling doen onze boswachters dat heel goed. Eens in de vier jaar gaan de groepen 5, 6, 7 en 8 van de basisscholen op het eiland overnachten op de Boschplaat, in een tent, ver van de bewoonde wereld. Alle kinderen op het eiland maken dat dus een keer mee. En dat draagt er enorm aan bij dat de eilanders de bijzondere Boschplaat met z’n biodiversiteit waarderen en willen behouden voor toekomstige generaties.”
Jori: “ We werken samen met bijvoorbeeld Stichting Natuurwijs en Stichting Nationale Boomfeestdag. In de meest bijzondere gebieden van ons land, de nationale parken, hebben we extra aandacht voor natuureducatie en werken we veel met vrijwilligers om kinderen te betrekken bij natuur. Want kennis over en interesse in de natuur is heel belangrijk en begint met het ervaren van natuur.
Staatsbosbeheer is er vooral voor om te zorgen voor veerkrachtige natuurgebieden, waarbij we werken aan een zo groot mogelijke toekomstige biodiversiteit in een veranderend klimaat. Voor die soorten zelf, maar ook zodat de natuur haar belangrijke rol kan spelen in het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. Bijvoorbeeld door het opslaan van water om overstromingen tegen te gaan en perioden van droogte te overbruggen.”
Guido: “Of voor het opslaan van CO2. Veel mensen denken daarbij alleen aan bossen, maar goed functionerend hoogveen of laagveen, met z’n verschillende veenmossen die veel water vasthouden, slaan nog meer CO2 op. Onze waardevolle ecosystemen zijn alleen in stand te houden met voldoende biodiversiteit. Want iedere soort plant of dier draagt bij aan de balans in een ecosysteem. Hoe minder soorten, hoe kwetsbaarder het systeem.”
Guido: “De ratelaar. Daar zijn meerdere soorten van. Het bijzondere van deze plant is dat hij parasiteert op gras. Want zijn wortels boren zich in de wortels voor gras om daar voedingsstoffen uit te halen. Dit maakt dat gras deels verdwijnt, waardoor er ruimte ontstaat voor andere planten. Goed voor de biodiversiteit dus.”
Jori: “De zwartblauwe rapunzel. Alleen die sprookjesachtige naam al. Een bloem die erg in trek is bij bijvoorbeeld hommels. Vroeger kwam hij veel voor in Nederland, maar inmiddels is hij zeer zeldzaam.”