Een dag uit het leven van...

een bever

Het is tegen de avond als vader bever wakker wordt. Dat wil zeggen: híj wordt wakker. De rest van het gezin ligt nog te ronken en te knorren in de burcht. Zijn vrouw naast hem, de jongen van dit jaar op een hoopje en de puber van vorig jaar, die eigenlijk allang op eigen benen had moeten staan, languit op het bed van houtsnippers.

Vader kruipt naar buiten.

Een flinke jongen, dik 25 kilo. Maar droog, met zijn dikke bruine vacht uitgezet, plakt er voor het oog altijd een paar kilo bij. Eenmaal in het water is hij ineens een stuk bescheidener.

Eerst het dak inspecteren. Een burcht is nooit af. Vader trekt aan een uitstekende tak, duwt wat klei ertussen en bekijkt het geheel vanaf het water.

Stevig. Dat moet ook. Zo’n dak houdt ongenode gasten buiten. Wolven bijvoorbeeld. Beren.

‘Er zijn hier geen beren,’ zegt zijn vrouw steeds.

Nee nee. Dat zei ze ook jarenlang over wolven.

Vader controleert de ingang. Netjes onder water. Te laag en de ingang komt droog te liggen. Te hoog en de boel loopt onder. Iedereen denkt dat bevers dol zijn op water. Vader heeft vooral vrij specifieke ideeën over hoeveel.

Zijn maag knort. Tijd voor wat wilgentwijgen en bast.

Maar verderop staat het water te laag. De geul wordt ondiep en dat zwemt niet lekker.

Werk aan de winkel dus.

Aan de oever zet hij zijn oranje voortanden in een jonge boom. Dankzij ijzer in het tandglazuur zijn ze extra hard, zijn ze ook zo oranje en werken ze als beitels. Een polsdikke tak heeft hij in een paar flinke happen los.

Handig spul, zo’n boom. De bast is avondeten. De tak gaat mee als bouwmateriaal.

Hij legt hem dwars in de geul, haalt een tweede en duwt er modder tussen.

Hm.

Daar moet nog een tak.

Langzaam blijft het water achter zijn bouwwerk hangen.

Beter.

Hij werkt verder. Tak erbij, modder ertussen. Af en toe kijkt hij waar het water nog doorheen glipt. Daar moet dan blijkbaar nog iets voor.

Na een paar uur ligt er een behoorlijke dam. Maar ach. Een maat van hem haalde ooit de krant met een dam van tien meter lang, die het water zo’n veertig centimeter opstuwde.

Opschepper.

De rest van het gezin scharrelt in de buurt. Moeder helpt met takken aanslepen en de jongen rommelen verderop met hun eigen dammetje. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen.

De jongste sleept fanatiek met een tak. De puber zit ernaast bast te eten.

Terwijl vader weer een tak aansleept, hoort hij vanaf de kant:

‘Daar lekt-ie nog.’

Een kikker.

‘We vroegen ons al af waar je bleef.’

Natuurlijk.

Achter zijn dam ontstaan ondiepe, natte plekken. Kikkers, libellen, vissen en waterplanten weten die snel te vinden. Waar vader bomen omknaagt, komt meer licht en blijft dood hout achter. Voor hij het weet, zit het er vol leven.

Vader kent ze inmiddels, die types.

Profiteren van zijn poeltjes. Intrekken in zijn dode hout. Maar een keer helpen met een tak aanslepen? Ho maar.

Hij duwt nog wat modder tussen twee takken.

Graag gedaan.

Tegen de ochtend wordt het licht. De geul is weer goed bezwembaar. Precies hoog genoeg.

Tijd om naar huis te gaan.

Onderweg valt zijn oog op de stuw.

Zijn ze daar nou nog steeds mee bezig? Mensen werken er al jaren aan: dijken, sloten, stuwen, gemalen. En nog steeds zijn ze niet klaar.

Vader kijkt achterom naar zijn dam.

Gisteravond stond die er nog niet.

Hij wil er verder geen punt van maken.

Aan de overkant staat het water trouwens ook wat aan de lage kant.

Met een paar flinke takken en wat modder en…

‘Kom je nog?’ roept zijn vrouw.

Hij kijkt naar de geul. Dan naar de burcht.

Zijn gezin wacht. De dam niet. Morgen weer een dag.

Voor hij naar binnen glijdt, inspecteert hij nog één keer het dak.

Stevig. Geen wolf die erin komt. Een beer trouwens ook niet.

Tijd voor wat wilgentakken en bast

Meer over dit onderwerp