Nieuws
Tijdens een kantoordag in de beheerschuur van de Oostvaardersplassen lopen allerlei mensen in en uit: collega's, onderzoekers, studenten, aannemers en vertegenwoordigers van gemeenten en de provincie. Eén van de mensen die regelmatig aanwaait, is Allan Liosi van Stichting Kerkuilenwerkgroep Flevoland. Ik ging een dag op pad met Allen en geef je een inkijkje in het werk van deze vrijwilligersgroep.
Vrijwilligers van de kerkuilenwerkgroep controleren nestkasten, inventariseren broedgevallen en ringen, meten en wegen jonge kerkuilen. Deze gegevens worden vervolgens doorgegeven aan het Vogeltrekstation, zij coördineren het vangen en ringen van vogels voor wetenschappelijk onderzoek, beleid en bescherming. In Zuidelijk Flevoland beheert de werkgroep ruim 250 nestkasten. Ook in bouwwerken in de Oostvaardersplassen hangen een aantal kasten. Omdat Allan dit werk inmiddels al 37 jaar doet, leek het mij een mooie kans om eens met hem mee op pad te gaan en een bericht aan hun werk te wijden.
Om 09.30 uur rijdt Allan samen met een groep vrijwilligers ons erf op. De auto ligt vol materialen en achter de auto hangt een aanhanger met ladders. We rijden naar de eerste nestkast. Maar eerst nog even wat informatie over de kerkuil.
In Nederland leven zes soorten uilen: ransuil, bosuil, steenuil, velduil, oehoe én kerkuil. Een volwassen kerkuil weegt ongeveer 300 tot 400 gram en heeft een spanwijdte van bijna een meter. De soort leeft vooral in halfopen landschappen. Dankzij zijn uitstekende gehoor, scherpe zicht en geruisloze vlucht is hij een zeer effectieve nachtjager. Veldmuizen vormen het belangrijkste voedsel. Tijdens het broedseizoen eet een volwassen kerkuil gemiddeld vier tot acht muizen per dag. Onverteerbare resten, zoals botjes en haren, worden later als braakballen uitgespuugd.
Kerkuilen kunnen het hele jaar broeden, maar de meeste broedparen (70%) leggen hun eieren in april en mei, gemiddeld vier tot zeven eieren per broedsel. Zodra het eerste ei gelegd is, begint het vrouwtje direct te broeden. Vervolgens volgt ongeveer iedere twee dagen een nieuw ei, waardoor er leeftijdsverschil is tussen de jongen. Dit heet asynchroon broeden. Het vrouwtje verlaat nauwelijks het nest, het mannetje brengt haar voedsel. Na ongeveer dertig dagen komen de eerste eieren uit. In voedselrijke jaren brengen kerkuilen soms een tweede of, heel uitzonderlijk, een derde broedsel.
De kerkuil broedt het liefst in holle bomen, rotsspleten en andere natuurlijke holtes. Maar omdat die plekken in ons land steeds minder voorkomen, gebruiken ze nu vooral gebouwen en speciale nestkasten. Boeren zijn vaak blij met hun aanwezigheid, omdat kerkuilen veel muizen rond het erf wegvangen.
Aangekomen bij de eerste nestkast, worden eerst alle materialen klaargezet. Het mobiele werkstation is binnen enkele minuten gereed voor het ringen. Voor de ingang van de kast wordt een net geplaatst en de ladder wordt neergezet om bij de kast te komen. Het net is nodig om te voorkomen dat een oudervogel wegvliegt wanneer de kast wordt geopend. Zodra de kast opengaat, vliegt inderdaad een oudervogel het net in. De vogel wordt tijdelijk in een donkere bak geplaatst en later weer teruggezet bij de jongen. Door de ouder te vangen en later weer terug te zetten, worden de jongen na het ringen niet zonder ouder achter gelaten. Deze methode is minder verstorend dan dat de ouder wegvliegt en ’s avonds pas weer terugkomt.
Op het eerste gezicht lijken er vier jongen in de kast te zitten, maar wanneer ze één voor één worden uitgenomen blijken het er zes te zijn. De jongen kruipen dicht tegen elkaar aan om warm te blijven. Naast de jongen liggen ook zes dode muizen in de kast. Er wordt dus goed voor ze gezorgd, aan voedsel geen gebrek. Alle jongen worden geringd, gemeten en gewogen voordat ze weer teruggaan in het nest. Ook de volwassen vogel wordt gemeten en gewogen. Daarna wordt hij als laatste weer teruggezet in de kast.
Bij de tweede kast herhaalt het ritueel zich. Hier blijft het vrouwtje rustig in de kast zitten en kan zij eenvoudig worden gepakt. Ook deze vijf jongen worden geringd, gemeten en gewogen. Deze kast heeft een schoonmaakbeurtje nodig. Kerkuilen blijken niet de meest hygiënische dieren, op de bodem ligt een laag van ongeveer twintig centimeter aan platgetrapte braakballen. Uiteindelijk halen we vier emmers met oud nestmateriaal uit de kast. Er moet altijd een laagje achterblijven, anders was een vijfde volle emmer ook nog mogelijk geweest.
De jonge kerkuilen die we vandaag aantreffen, horen allemaal tot tweede broedsels. De jongen uit de eerste leg zijn allemaal al uitgevlogen. Allan vertelt dat de grote aantallen jongen en de vele tweede broedsels een gevolg zijn van een goed muizenjaar. Dit hebben we in de Oostvaardersplassen ook wel gemerkt, al vroeg in het seizoen werden er bijvoorbeeld opvallend veel velduilen gezien. Allan herinnert zich dat 2019 het laatste echt goede muizenjaar was, maar 2026 lijkt nog beter. Muizenpopulaties kennen natuurlijke pieken en dalen, vaak in cycli van drie tot vijf jaar. Goede muizenjaren zijn niet alleen gunstig voor kerkuilen, maar voor veel vogelsoorten. Op Nature Today verscheen hierover een interessant artikel.
Na deze tweede nestkast ging Allan met de groep vrijwilligers verder naar de volgende, ik nam weer afscheid om terug naar kantoor te gaan. Ik bedank Allan en de vrijwilligers van Stichting Kerkuilenwerkgroep Flevoland voor deze leerzame dag. Het was bijzonder om met mensen op pad te mogen die zoveel kennis en ervaring hebben. Daarnaast was het natuurlijk geweldig om deze prachtige vogels van zo dichtbij te zien én om een beter beeld te krijgen van het werk dat achter hun bescherming schuilgaat. Zelfs wanneer dat betekent dat je een nestkast vol braakballen moet schoonmaken! En ik weet nu hoeveel werk en toewijding er achter zo'n nestkast schuilgaat.
Stichting Kerkuilenwerkgroep Flevoland kan altijd vrijwilligers gebruiken. Ben je niet bang om vies te worden, heb je geen last van hoogtevrees en steek je graag je handen uit de mouwen? Kijk dan eens op de website van Stichting Kerkuilenwerkgroep Flevoland voor meer informatie.