Weidevogelbeheer: heel simpel en toch complex

  • 02 mei 2022
  • Flora en fauna
  • Leestijd 3 minuten

Van grutto tot tureluur, van kievit tot watersnip. Weidevogels hebben het zwaar. Wat kunnen we doen om deze oer-Hollandse vogels te helpen? Waar hebben ze last van? En wat hebben de kuikens nodig om veilig te kunnen opgroeien? Vier bevlogen vakmensen vertellen over tal van maatregelen en het belang van samenwerking, want alléén lukt het niet.

Het stimuleren van natte, kruidenrijke graslanden waarin de kuikens voedsel bij elkaar kunnen scharrelen. Dat is een van de aspecten van weidevogelbeheer.
We hebben er alles aan gedaan om het aantrekkelijk te maken. Nu moeten de vogels het zelf doen.
Boswachter Bennie Henstra

Rust en variatie

“Eigenlijk is het heel simpel: je gaat uit van wat de weidevogels nodig hebben”, vertelt Bennie Henstra, boswachter in Súdeast-Fryslân. “Denk aan natte, kruidenrijke graslanden met voldoende openheid, rust en variatie, zodat ze daar de hele cyclus kunnen voltooien tot aan het op de vleugels gaan van de jonge vogels. Wij doen bijvoorbeeld veel moeite om percelen waar veel pitrus de kop opsteekt, vóór het broedseizoen zo kort mogelijk te maaien, zodat er open vegetatie ontstaat die aantrekkelijk is voor kieviten. Een aantrekkelijke vestigingsbiotoop is heel belangrijk, anders blijven de vogels weg.”

Het waterpeil op orde houden is een combinatie van fingerspitzengefühl, hard werken en het weer goed in de gaten houden.
Ecoloog Arnout-Jan Rossenaar

Goed gevulde snackbar

Bij weidevogelbeheer speelt water een belangrijke rol. “Het verschilt per weidevogelgebied hoe we omgaan met water”, vertelt Arnout-Jan Rossenaar, ecoloog. “Je wilt voor de weidevogels een natte bodem, zodat ze voedsel kunnen vinden in de bovenste laag – als een goed gevulde snackbar. Een waterpeil van 20 cm beneden het maaiveld is ideaal. Dat lukt in de veenweidegebieden, waar mensen ook gewend zijn aan een hoger waterpeil. Op kleigrond kun je wel op 40 cm gaan zitten; dan kunnen weidevogels ook nog voldoende voedsel vinden. Maar we hebben ook weidevogelgebieden met een nog lager waterpeil. Deze gebieden zijn eigenlijk nog niet af. Samen met de hydroloog kijken we hoe we het waterpeil omhoog kunnen brengen, zonder de omgeving tot last te zijn. Doordat je met zoveel verschillende mensen te maken hebt, is weidevogelbeheer best ingewikkeld.”

Met stroomrasters voorkomen we dat vossen de nesten leegroven
Boswachter Gjerryt Hoekstra

Vossen tegenhouden

“Naast de basisvoorwaarden - hoog waterpeil, laat maaien en kruidenrijk grasland - doen wij in Noard-Fryslân nog iets anders”, vertelt Gjerryt Hoekstra, boswachter in Noard-Fryslân. “Wij zetten predatorenrasters om kernen van gebiedjes waar veel weidevogels zitten, die ook nog eens omringd zijn door water. Door de combinatie van water en stroomrasters worden grondpredatoren, vooral vossen, tegengehouden. Daarmee voorkom je dat nesten worden leeggeroofd.”

Voor de grutto’s zorgen we er in het voorjaar voor dat de greppels water aanvoeren, de percelen in.
Boswachter Peije 't Lam

Samenwerken

Verschillende soorten weidevogels hebben net andere biotopen nodig. “Daarom beheren we niet alle percelen op dezelfde manier”, vertelt Peije t Lam, boswachter in het Groene Hart. “We willen een mozaïek creëren. Boeren kunnen bijdragen aan dat mozaïek. In de samenwerking met collectieven die agrarisch natuurbeheer regelen is winst te behalen. Hoe meer het agrarisch natuurbeheer gericht is op weidevogels, hoe beter het resultaat.”

Kleinschalige landbouw

Ook in het noorden van het land wordt samengewerkt met de buren. “Weidevogels concentreren zich nu vooral in reservaten. Door samenwerking met agrarische natuurverenigingen en boeren proberen we een beschermende schil om de reservaten heen te leggen”, legt Gjerryt Hoekstra uit. “Gelukkig zijn er nog enkele kleinschalige boeren die weidevogels hebben, maar de schaalvergroting baart me zorgen. Wij hameren op de kwaliteit van kleinschalige landbouw en proberen dat te behouden. Alléén lukt het niet om de weidevogel te redden.”

Een grutto heeft kruidenrijke graslanden met een pollige structuur nodig, terwijl de kievit beter gedijt in een kalere habitat.

Ook interessant