Terug

Nieuws

Spoorzoeken 2.0: Een oeroude vaardigheid in een nieuwe wereld

  • 24 februari 2022
  • Flora en fauna
  • Leestijd 8 minuten

Het zoeken naar diersporen is veel belangrijker dan het lijkt. Dat vinden ervaren spoorzoekers Aaldrik Pot en Diliana Welink. In dit opiniestuk zetten zij uiteen wat het nut van spoorzoeken kan zijn: zowel voor de natuurbeheerder als voor andere natuurliefhebbers. Spoorzoeken geeft je volgens hen een veel bredere blik op natuur.

Aan de voet van bomen kun je prachtige fuikvormige webjes van de trechterspin vinden.

Rijkdom leren zien

Spoorzoeken wordt in de huidige tijd vaak gezien als geinige hobby. Een beetje Indiaantje spelen in het bos. Verder is het een vrij nutteloze bezigheid, terwijl het nog niet zo lang geleden is dat we, om te kunnen overleven, er volledig van afhankelijk waren. In de tijd dat onze voorouders met speren en pijl en boog op dieren joegen, wist je zonder kennis van sporen niet welk dier je volgde, of het spoor vers of oud was, of het de moeite waard was. Deze kennis zorgde voor een diepe verbinding en afhankelijkheid tussen mensen en de andere dieren die in hun nabijheid leefden. En vanuit dat perspectief ook in een grotere dankbaarheid.

Spoorzoeken kan een manier zijn om onze oeroude band met de natuur te herstellen.
Diliana Welink, biologe en natuurgids

Grotere kloof

Met 40.000 verschillende artikelen in een grote supermarkt, is kennis van sporen inderdaad niet meer nodig om in leven te blijven. We gaan niet meer dood van de honger. Tegelijkertijd lijkt de kloof tussen de mens en zijn leefomgeving steeds groter te worden. In plaats van dat we voeling houden met waar we vandaan komen, richten we onze blik vooral op waar we naartoe willen. Daar is natuurlijk niks mis mee, maar met het zoeken naar nieuwe rijkdom, laten we een grote schat verloren gaan. Spoorzoeken kan een manier zijn om die oeroude band die we met natuur hebben, te herstellen. Een band die voor ons ‘innerlijke’ mens belangrijk is, maar minstens zo belangrijk voor natuurbeheerders.

Gefascineerd

Voor ons is het kijken naar insectensporen begonnen bij de zwarte specht. We waren gefascineerd door de enorme gaten die zwarte spechten in bomen hakken en waren nieuwsgierig waarom ze zoveel energie steken in het bereiken van een voedselbron. Ze hebben het vooral op keverlarven voorzien en de vetste larven zitten vaak onderin een boom. Toen we daar beter naar gingen kijken ontdekten we bijvoorbeeld weer de prachtige patronen die pissebedden in rottende bomen maken. Daarna was de beer los en rolden we van het ene avontuur in het andere.

Haksporen van zwarte specht

Met andere ogen

Laten we eens kijken naar een ander bekend dier, de ree. Soms zie je ze aan de rand van het bos op een grazig veldje staan. Als je niet verder kijkt, zou je kunnen denken dat reeën vooral graseters zijn, maar niets is minder waar. Als je ze geruisloos en ongezien zou kunnen volgen als ze terugkeren naar het bos, krijg je een totaal ander idee van hun leven.

Aan de rand van het bos, waar hun vaste looppaden beginnen, zie je veegbomen. Hier markeren ze hun territorium of schuren bokken in het voorjaar de jeukende basthuid van hun gewei. Even verderop zie je ondiepe kaal gekrabde kuiltjes op de bosbodem. Hier hebben ze geslapen of liggen herkauwen. Net als koeien hebben reeën rust nodig om hun eten te verteren. Als je nog dieper inzoomt zie je langs paden overal afgeknabbelde bramenblaadjes en struikjes waar de knoppen zijn uitgegeten. Een ree is geen graseter pur sang, maar een knabbelaar, een browser in jargon.

Met deze wetenschap, loop je ineens met andere ogen door het bos. Je kijkt niet alleen door je eigen ogen, maar ook door die van andere dieren. Door je te verdiepen in het leven van je wilde buren, ben je je ineens meer bewust van je eigen rol en plek in het landschap.

Tekens geven goed beeld

Sporen zijn vaak een eerste aanwijzing dat een bepaalde diersoort zich in een gebied heeft gevestigd. De uitwerpselen die otters achterlaten op strategische plekken in hun territorium zijn bijvoorbeeld een duidelijke uiting van hun aanwezigheid. Veel meer roofdieren markeren hun territorium met uitwerpselen of brengen zichtbare markeringen aan, zoals wolven die op kruispunten van paden duidelijk zichtbare krabplekken maken. Ook bevers schijnen enkel en alleen dikke bomen gedeeltelijk te schillen als signaal naar andere bevers: dit gebied is al bezet. Reebokken maken visuele territoriummarkeringen door met hun hoeven over de grond te schrapen. Aan de hand van deze ‘tekens’ krijg je als beheerder al een goed beeld hoe dieren het terrein gebruiken.

Kennis van sporen is van grote waarde om de biodiversiteit te behouden.
Aaldrik Pot, specialist dierensporen en provinciaal adviseur bij Staatsbosbeheer

Rekening mee houden

Diersporen geven je ook aanwijzingen waar je rekening mee moet houden bij het beheer van bossen en andere natuurgebieden. Dat doen we natuurlijk deels al. Bomen met holen van spechten of nesten van roofvogels en eekhoorns laat je staan, je bewaart gepaste afstand van dassenburchten en ook mierenhopen laat je met rust.
Maar ook kennis van minder bekende sporen, zoals van insecten, is van grote waarde om de biodiversiteit in je terreinen te behouden of te vergroten. Onverharde plekken die belangrijk zijn voor bijvoorbeeld graafbijen en -wespen zoals parkeerplaatsen en paden, merk je in eerste instantie vaak op doordat er tientallen of soms zelfs honderden kleine holletjes in de grond zitten. Deze locaties moet je niet verharden want ze zijn belangrijk als voortplantingslocatie voor deze bodemlevende insecten. Daarnaast kun je op zoek gaan naar de voedselbron die in de buurt moet staan en die vervolgens zorgvuldig en gefaseerd beheren.

Mierenhoop in bos

Niet maaien

Wanneer je als beheerder gedeeltes van terreinen niet maait, zie je het daarop volgende jaar aan de hoeveelheid spinnenwebben en eicocons waarvoor je dat hebt gedaan. En zie je veel lampionvormige nestjes van wespspinnen, dan weet je ook dat er veel sprinkhanen moeten zitten, want dat is een van de belangrijkste prooidieren voor de wespspin.
Ook de sporen die mieren achterlaten vertellen veel ons veel over wat deze wonderlijke wezens nodig hebben. Nestjes van weidemieren bijvoorbeeld worden vaak onherstelbaar beschadigd door maaien. Dus ook hier is gefaseerd maaien het devies. Daarmee doe je ook de groene specht weer een plezier die veel op die nestjes van weidemieren foerageert. En op de ‘kathedralen’ van bosmieren gooi je geen snoeiafval en je zet de mierenhopen ook niet van het ene op andere moment vol in de zon door alle struiken en bomen eromheen weg te halen. En kijk ook even in welke bomen in de buurt de mieren hun voedsel halen, oftewel in welke boomtop ‘melken’ ze hun bladluizen.

Dood hout

Nog steeds wordt hier en daar dood hout gekapt, ook op plekken waar dat ten behoeve van de veiligheid niet nodig is. Juist in staand dood hout zitten vaak dichtgestopte gangetjes van bijen. Die kun je beter laten staan. En als er juist helemaal geen dichtgemaakte gangetjes of andere insectensporen te vinden zijn, kun je in een opstand met veel dood hout kleinschalig wat meer ‘licht en lucht’ aanbrengen. Het wordt er qua beheer natuurlijk niet makkelijker op als je óveral rekening mee moet houden, maar het geeft je zeker meer verbinding met de enorme rijkdom die er is.

Niche 

Naast nut en noodzaak voor natuurbeheerders, is het bekijken van diersporen ook gewoon ontzettend leuk, voor iedereen die van de natuur houdt. Het speuren naar pootafdrukken of prenten van grote zoogdieren is het meest populair. Iedere wandelaar op de Veluwe hoopt een prent van een wolf te vinden. Daarna komen in populariteit de andere diersporen, zoals uitwerpselen, nesten en holen, vraatsporen en prooiresten. Het speuren naar sporen van deze grote zoogdieren wordt steeds populairder.
Maar wat nog echt een niche is binnen de spoorzoekerij, is de veel leukere groep sporen van de insecten. Bedenk maar eens dat de groei van bijvoorbeeld blauwe druifjes die kriskras in je tuin staan, een indirect dierspoor zijn. Mieren slepen de energierijke broodjes die aan de zaden vast zitten naar hun nest. Onderweg valt zo’n zaadje van het mierenbroodje en op die manier weet de plant zich door je tuin te verspreiden.

Op bladeren vind je vele soorten gallen, zoals deze van de beukgalmug

Verder inzoomen

Als je verder inzoomt op insectensporen zie je nog zoveel meer. In één hectare bos opent zich een compleet nieuw universum. Het bos krijg nog meer lagen dan het al had. Op bladeren van eiken vind je vele soorten gallen, veroorzaakt door minuscule wespjes, muggen of mijten. Deze woekeringen hebben de prachtigste kleuren en de vorm van een appel, ananas of stuiterbal. Op de grond zie je hoe mestkevers keutels van dieren onder de grond hebben gewerkt. De grootste werpen enorme heuvels op, de kleinste maken van een koeienvlaai een gatenkaas.

Wonderlijke wezens

Of kijk eens beter naar wat spinnen doen, het zijn dan wel geen insecten maar ook aan de sporen van deze wonderlijke wezens lopen we vaak te snel voorbij. Het meest bekend zijn de webben die bijvoorbeeld kruisspinnen maken die als een wagenwiel tussen bijvoorbeeld twee heidestruiken hangen. Andere soorten maken hangmatjes en aan de voet van bomen kun je de prachtige fuikvormige webjes van trechterspinnen vinden. En van geheel andere orde zijn de ei-cocons die spinnen maken. Die van de inmiddels overbekende wespspin hangt als een grote hanglamp in de hei of tussen het gras, terwijl lampionspinnen prachtige mini-lantaarntjes aan plantentopjes hangen.

Labyrint van letterzetter

Kunstenaars van het bos

En dan de letterzetter. Het is slechts een van de vele bast-, schors- en houtkevers die Nederland rijk is. Je kunt ze beschouwen als de kunstenaars van het bos vanwege de prachtige labyrinten die ze in het hout maken. En zoek ook eens naar het spoor van de kleine dennenscheerder waarvan de larven fraaie patronen in takhout knagen die lijken op vliegende vogels. Of kijk eens onder de bast van dode grove dennen waar de larven onder de schors zogenaamde poppenwiegen maken.

Groene sigaartjes

De hoeveelheid verhalen die je kunt ontdekken is eindeloos. Er zijn bijvoorbeeld de zogenaamde bladmineerders. Larven van nachtvlinders (of vliegen) die gangen in bladeren van bijvoorbeeld hulst of braam knagen. Of ze vouwen juist een blad om zich heen waardoor het bos ineens bezaaid ligt met kleine groene sigaartjes. Deze bladrollers zijn veelal ook nachtvlinders, soorten die je in tegenstelling tot zoogdieren en vogels helemaal nooit te zien krijgt als je niet oplet. En dat terwijl ze vaak de prachtigste kleuren en patronen op hun vleugels hebben. Eigenlijk zonde om aan je voorbij te laten gaan. En de verhalen worden nog mooier als je een koolmees ziet die de ‘pakketjes weer uitpakt’.

'Groen sigaartje' van de berkenbladroller

Scherpe blik

En wat te denken van de geinige hazelnootboorder, een kevertje met een snuit als Gonzo uit de Muppetshow die een klein gaatje in een hazelnoot boort om er zijn eitjes in te kunnen leggen. En dan zijn er nog de verschillende soorten mierenhopen, holletjes van graafbijen en -wespen of kijk alleen maar eens naar de ingenieuze wijze waarop een strontvlieg zijn eitjes vastprikt in een bult mest. Speuren naar insectensporen kan bovendien het hele jaar door, maar kent wel een hoogtepunt in de maanden april tot en met september. Ook midden in de winter is er echter van alles te vinden. En het leuke is, je heb er nagenoeg niets voor nodig, behalve een scherpe blik. Boeken en determinatiegidsen zijn handig, maar op het internet is ook ontzettend veel informatie te vinden. Elke soortgroep heeft zijn eigen volgers en fans. Maar bovenal is er in dit rijk zelf nog heel veel te ontdekken.

Wat levert spoorzoeken op?

Wat levert dat spoorzoeken – in the end – nou op? Wat voor ons het belangrijkste is, is dat het zoeken en kijken naar diersporen je op een heel toegankelijke manier in staat stelt een oeroude band met de natuur om je heen te herstellen. Een band die leidt tot nieuwsgierigheid naar en verwondering over al die andere levende wezens op aarde. Dat is niet alleen belangrijk voor ons als mens, maar minstens zo belangrijk voor natuurbeheerders. Het zoeken naar sporen van zoogdieren en vogels, én insecten en andere ongewervelden geeft je een veel bredere blik op natuur. Je komt er steeds meer achter dat elke soort een hele sliert aan volgsoorten heeft die afhankelijk zijn van dat ene hoekje. In die wetenschap laat je bijvoorbeeld in je tuin of in het bos vaker iets staan, omdat je weet dat in stengels van planten insecten overwinteren. De oogst die je binnenhaalt na een dag spoorzoeken is dan niet meer, zoals bij onze voorouders, het eten voor die avond, maar een schat aan verhalen, informatie en veel gelukkige momenten buiten.

De ei-cocon van de wespspin hangt als een lampion tussen het gras.