Meer bos én meer variatie

Denk je aan natuur, dan denk je aan bossen en bomen. Nederland stelt veel eisen aan haar bossen. Het is het thuis van vele soorten dieren en planten; we willen er allemaal regelmatig wandelen of fietsen; bos speelt een grote rol in de CO2-opname en we hebben behoefte aan duurzaam gekweekt hout.

Kappen

Dat we zuinig moeten zijn op onze bossen en dat we ons inzetten voor meer bos in Nederland, lijkt in tegenspraak met het kappen van bomen in onze natuurgebieden. We begrijpen dan ook goed dat bomenkap tot heftige reacties leidt bij bezorgde burgers. Toch zijn er goede redenen om bomen te kappen in natuurgebieden.
De voortdurende concurrentie tussen bomen, struiken en andere planten om licht en ruimte kan er toe leiden dat (boom)soorten verdwijnen. Kappen is dus nodig om bos gevarieerd en toekomstbestendig te houden. Een gevarieerd bos is minder kwetsbaar. Met dunning – hier en daar bomen weghalen - helpen we dus de meest vitale bomen en krijgen jonge bomen meer kans. Ook is het voor de veiligheid nodig zieke bomen te kappen.

Verjonging

Bij verjonging maken we kleine open plekken in het bos van maximaal 0,5 of 1 hectare, zodat er plaats komt voor een nieuwe generaties bomen. Dit doen we als er nauwelijks nog bijgroei is, of de bomen niet meer vitaal zijn. Op deze plekken groeit er dus gewoon een nieuw stuk bos voor in de plaats. Bos blijft bos.
Soms moeten delen van het bos wijken voor andere, waardevolle natuur. Dit om meer leefruimte voor bedreigde dier- en plantensoorten te creëren die afhankelijk zijn van open landschappen. Het gaat uiteindelijk om de beste natuur op de beste plek. Hier gaan we wel wat terughoudender mee om dan enkele jaren geleden omdat er een duidelijke behoefte is aan meer bos.

Meer bos

De afname van de totale hoeveelheid bos in Nederland is zorgelijk. Hoewel die afname nu minder snel gaat, is de hoeveelheid bos ook de afgelopen vier jaar met bijna 2.000 hectare afgenomen. In lijn met Europese en landelijke doelstellingen zet Staatsbosbeheer zich in voor meer bos. In ons ondernemingsplan en onze bosvisie Groeiende toekomst, is hier al op ingespeeld. We nemen zelf het voortouw en gaan aan de slag met het planten van 5.000 hectare nieuw bos, een groei van 95.000 naar 100.000 hectare op onze huidige gronden.
Op veengronden die sowieso vernat moeten worden - en waar landbouw dus moeilijker wordt - ontstaan ideale groeiomstandigheden voor veenbossen, een type bos dat nu schaars is in Nederland. En langs de rivieren is bijvoorbeeld ruimte voor ooibossen, een ander schaars bostype. Ook kijken we naar terreinen die zich in de huidige situatie niet goed ontwikkelen, zoals een deel van de graslanden, waar bosontwikkeling zorgt voor meer CO2 -vastlegging. Verder zijn er ‘boskansen’ rond steden. Stedelijke ontwikkeling in combinatie met de aanleg van (recreatie)bos levert groene metropolen op, die ecologische waarde hebben en die stadsbewoners een gezondere, groenere leefomgeving bieden.

Meer variatie

Nederlandse bossen zijn relatief vaak monoculturen, terwijl gemengde bossen met bomen van verschillende leeftijden beter bestand zijn tegen ziekten, plagen en klimaatverandering. Een mix van vlak- en diepwortelende bomen zorgt dat bos minder kwetsbaar is voor langdurige droogte. Ook levert gemengd bos een gevarieerder strooisel op en dat is gunstiger voor de opname van de voedingsstoffen door het bos.
Nederland is op de goede weg: begin jaren '80 was nog bijna de helft van onze bossen ongemengd naaldbos, terwijl dat begin deze eeuw nog maar gold voor een kwart van de bossen. Desondanks moeten de Nederlandse bossen nóg meer variatie krijgen, daar blijven wij ons voor inzetten.

Biogrondstoffen

Van oudsher draagt Staatsbosbeheer bij aan houtproductie in Nederland. We vinden het belangrijk dat dat duurzaam gebeurt. Duurzaam bosbeheer betekent onder andere: nooit méér hout uit het bos oogsten dan er bij groeit. We beheren het bos volgens de regels van FSC, het strengste onafhankelijke keurmerk ter wereld voor duurzaam bosbeheer. Lees er hier meer over.
Delen van de boom, zoals de kruin, die niet voor balken en planken geschikt zijn laten we liggen als voeding voor de bodem, of bieden we aan bij biomassacentrales. Op arme zandgronden blijft dit tak- en tophout altijd liggen om weer voedingstoffen terug te geven aan de bodem. Op rijke kleigronden hoeft dit niet en kan dit gebruikt worden als biogrondstof, Staatsbosbeheer levert alleen houtsnippers aan warmtekrachtcentrales die 100 procent op biogrondstoffen draaien. We leveren nooit biogrondstoffen als bijstook in kolencentrales