Biodiversiteit: er is leven na de dood

  • 28 september 2021
  • Achtergrondverhaal
  • Leestijd 5 minuten

Dieren zijn ook na hun dood belangrijk voor de biodiversiteit. Ecoloog Elke Wenting doet er onderzoek naar. Meer aas en aaseters zijn goed nieuws voor de natuur.  

Resten van dode dieren in de natuur

Stinkend onderwerp

Op pad met ecoloog Elke Wenting leer je vanzelf op de windrichting letten. Ze onderzoekt namelijk een fascinerend maar stinkend onderwerp: de betekenis van dode dieren voor de biodiversiteit. 

De uitdrukking ‘de één zijn dood is de ander zijn brood’ is in de natuur letterlijk van toepassing. Dode dieren horen net zo bij de ecologische kringloop als levende. Hun overblijfselen bevatten namelijk allerlei waardevolle elementen. Van de plukjes vacht die vogels benutten voor hun nestjes, tot de hoeven en hoorns die een fijne voedingsbodem vormen voor verschillende zwammen. En natuurlijk: het vlees en de botten, die belangrijke leveranciers zijn van voedingsstoffen, vitaminen en mineralen. Op die manier zijn dieren ook na hun dood belangrijk voor de biodiversiteit.
De een zijn dood... Ecoloog Elke Wenting onderzoekt het kadaver van een ree

Zwijn-sabotage

Elke Wenting doet aan Wageningen University & Research promotieonderzoek naar de rol van aaseters bij de kringloop van voedingsstoffen. Daarvoor werkt ze samen met verschillende beheerders van natuurgebieden, waaronder Staatsbosbeheer. In diverse natuurgebieden in Nederland brengt ze met wildcamera’s en regelmatige bodembemonstering in kaart hoe het afbraakproces van dode dieren in de natuur precies verloopt. Ook onderzoekt ze welke rol de verschillende soorten aaseters daarbij spelen, bijvoorbeeld door kadavers alleen toegankelijk te maken voor vogels of insecten. Tenminste, als de dieren haar niet te snel af zijn. “Met name wilde zwijnen zijn meesters in het saboteren van dit soort experimenten”, vertelt ze lachend. Op een wildcamera-opname is duidelijk te zien hoe jonge zwijntjes zich door de kieren van haar proefopstelling wurmen, waarna ze die van binnenuit slopen en de volwassen zwijnen toegang geven tot het kadaver. Helaas, experiment mislukt…

Camerabeelden

De wildcamera’s die het heterdaadje van de wilde zwijnen vastlegden – en mooi tonen hoe slim zwijnen samenwerken – hebben al legio interessante dingen geregistreerd. Dassen staan bijvoorbeeld niet algemeen bekend als aaseters. Toch tonen Elkes camerabeelden dat ze op de Veluwe regelmatig knagen aan kadavers – maar alleen dáár en niet op de andere onderzoekslocaties. Bij wilde zwijnen blijken eveneens grote lokale verschillen te bestaan. “Op de Veluwe eten ze bijvoorbeeld absoluut niet van dode soortgenoten, terwijl onder de Limburgse zwijnen kannibalisme wel af en toe voorkomt”, vertelt ze.

Kadaver-cam

Via de ‘kadaver-cam’ was live te volgen hoe een ree, een verkeersslachtoffer, weer wordt opgenomen in de natuur en welke aaseters daarbij een rol spelen. Bekijk fragmenten
Bekijk fragmenten

Voortdurend gevecht

Om dode dieren wordt voortdurend geknokt in de natuur. Welke aaseter vindt het aas als eerste, en wie kan de beste delen bemachtigen? Dat is deels afhankelijk van het moment. Vogels zijn bijvoorbeeld vooral overdag actief, terwijl zoogdieren met name ’s nachts hun slag slaan. Ook de locatie doet ertoe. Voor vogels, die zoeken op zicht, is een open plek gunstiger dan een meer verscholen sterfbed. En dan is er nog de factor tijd. Het tempo waarin een dood dier wordt gerecycled in de natuur varieert enorm. “Een volwassen wild zwijn kan een dode ree in een nacht opeten”, weet Wenting. “Voor de grotere aaseters is snelheid hun belangrijkste wapen. Zij winnen de aaswedstrijd als ze het dode dier vinden en opeten voordat de microben – eencellige en kleine meercellige micro-organismen als bacteriën, algen en schimmels – hebben toegeslagen. Want microben zijn veel trager, maar hebben een ander machtig wapen: zij kunnen aas zó walgelijk en giftig maken dat de aaseters er hun neus voor optrekken.” Denk daar maar aan als je in de natuur ooit de geur van de dood in je neus krijgt: 1-0 voor de microben.
Een volwassen wild zwijn kan een dode ree in een nacht opeten
Elke Wenting, ecoloog Wageningen University & Research

De wolf als leverancier

In hoeverre heeft de terugkeer van de wolf in de Nederlandse natuur nog invloed op Elkes onderzoek? “Wolven eten weleens van een dier dat al dood is, maar zijn vooral belangrijk als leverancier van aas: gemiddeld doodt een wolf om de dag een hoefdier”, vertelt ze. De ingewanden van zo’n dier kunnen wolven zelf niet eten; als pure carnivoren missen ze de enzymen om de inhoud te kunnen verteren. Andere aaseters weten daar wél raad mee. Dat geldt ook voor eventuele andere kliekjes die de wolven achterlaten. “Een wolf wil meestal wel twee keer eten van één prooi. Maar zeker in gebieden met veel wilde zwijnen krijgen ze daar meestal niet de kans voor.”

Kringloop

Meer aas en aaseters zijn goed nieuws voor de natuur. Er zijn sterke aanwijzingen dat de voedingsstoffen uit de lichamen van dode dieren sneller weer in de kringloop worden opgenomen als er voldoende aas en aaseters voorkomen in de natuur. En dat door die snellere kringloop meer verschillende dieren en planten kunnen voorkomen in een natuurgebied – meer biodiversiteit dus. Er is nog veel onderzoek nodig om aan te tonen dat het inderdaad zo werkt, en hoe dan precies. Wenting hoopt dat in 2023 uitgepuzzeld te hebben. Tenminste, als alles volgens plan verloopt en de wilde zwijnen haar proefopstellingen niet te vaak saboteren.

Meer dood doet leven