Dossier Landschap

Staatsbosbeheer staat voor natuur én cultuur omdat deze twee in het Nederlandse landschap ook niet gescheiden zijn.

Veenlandschap

Veenmoerassen zijn typische Nederlandse ‘wetlands’. Natte landschappen die niet gevormd zijn door wind, water of ijs, maar (als enige!) door planten. Nergens in Nederland is de bodem zo slap, nergens voelen bijzondere soorten als de veenmol en de grote vuurvlinder zich zo thuis.

Veenmoerassen

Dat juist in ons waterrijke land veenmoerassen ontstonden, komt doordat water en veen onlosmakelijk verbonden zijn. Veen kan ontstaan als laagtes in de bodem zich vullen met water. Groene waterplanten zoals krabbenscheer ontkiemen daar. Ze groeien, sterven af en zinken naar de bodem, terwijl nieuwe planten hun plaats innemen. Zit er te weinig zuurstof in het water, dan raakt het evenwicht verstoord. Dode planten verteren niet snel genoeg, of maar ten dele. Intussen geven ze wel stoffen af die het water zuur maken. Dit remt de groei van bacteriën die nodig zijn om de dode planten verder op te ruimen.

Laag op laag

Het gevolg is dat plantenresten zich onder water beginnen op te stapelen: laag op laag, op laag, op laag. Er ontstaat een proces dat geologen ‘verlanding’ noemen. In het geval van veen ziet het nieuwe ‘land’ er uit als een bruinzwarte massa, die door vrijkomende moerasgassen opvallend naar rotte eieren ruikt. Er kan van alles in zitten: zaden, bladeren, wortels, takken, zelfs boomstammen. Hoe dikker het veen zich opstapelt, hoe verder de onderste lagen worden samen geperst. In de bodemdoorsnede van een veenlandschap is dat goed te zien: onderaan zijn de lagen dunner en steviger dan
bovenop.

Trilveen

Bij het ontstaan van trilveen, de slappe bodem die beweegt als je eroverheen loopt, speelt krabbenscheer ook een belangrijke rol. Als de snelgroeiende rozetten van deze plant in de zomer omhoog drijven (’s winters zakken ze naar de bodem) blijven plantenresten en veen erin hangen, waardoor drijvende veenmatrassen van wel 20 tot 70 centimeter dik kunnen ontstaan. Op trilveen komen veel laag blijvende zeggen, mossen en kruiden voor. Je vindt er soorten zoals de groenknolorchis, het waterdrieblad, het moeraskartelblad, ronde zegge, draadzegge en verschillende soorten schorpioenmos. Het is ook het domein van insecten zoals de zilveren maan (een dagvlinder) en vogels zoals de watersnip.

Laagveen en hoogveen

Laagveen is veen dat door bodemwater wordt gevoed. Maar komt het nieuwe land boven de waterlijn uit, dan gaat laagveen over in hoogveen en verandert het van samenstelling. Niet waterplanten, maar pakketten van veenmos (spaghnum) leveren de plantaardige resten waaruit nieuw veen wordt gevormd. Spaghnum is een fijne mossoort die groeit in grote kussens die zichzelf vernieuwen: terwijl het mos aan de onderkant afsterft, groeit het aan de bovenkant door. Veenmos zuigt regenwater op als een spons en heeft geen bodemwater nodig. Het is een kenmerkend verschil tussen laag- en hoogveen. Zoals boswachter van de Weerribben Egbert Beens het zegt: "Laagveen krijgt water van onderaf, hoogveen van bovenaf.”

Veengebieden als klimaatbuffers

Beens: “Veengebieden zijn niet alleen belangrijke klimaatbuffers, ze hebben ook een unieke biodiversiteit. Zo leeft een derde van alle Nederlandse otters in de Weerribben-Wieden en vind je hier typische moerasplanten zoals de grote waterzuring. Ook komt hier een ernstig bedreigde ondersoort van de grote vuurvlinder voor die je nergens anders ter wereld vindt.” In dit 100 km2 grote laagveenmoeras leven ook nog eens 50 van de 71 in Nederland voorkomende soorten libellen en juffers, zoals de donkere waterjuffer en de sierlijke witsnuitlibel. Denny Kroeze: “Een libel wordt in het Engels niet voor niets Dragonfly genoemd. Als je ze van dichtbij bekijkt, zijn het echt kleine draakjes.”

Turf, riet en zout

Eens werden grote delen van Nederland gedomineerd door laag- en hoogveenlandschappen. Daar kwam verandering in toen de mens vanaf de elfde eeuw op grote schaal aan het ontginnen sloeg: voor brandstof (turfsteken), voor landbouw- en weidegrond, rietteelt en om zout te winnen (in de kuststreken uiteraard). Nu is er vooral nog hoogveen te vinden in Oost-Groningen, Drenthe, Noord-Brabant en Noord-Limburg (De Peel). Laagveen is er in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht (het Groene Hart), Overijssel, Groningen en Friesland. De veenlandschappen zoals we ze nu kennen, zijn dus gevormd door de mens: grote open landschappen met eindeloze kaarsrechte sloten, gegraven om het veen te ontwateren.

Afplaggen

Om de overgebleven veenlandschappen in stand te houden, is actief beheer nodig. Verlanding is een proces dat voortdurend doorgaat. Een rietland dat niet gemaaid wordt, verlandt binnen een paar jaar en wordt uiteindelijk een wilgenbos. Het duurt ongeveer 150 jaar tot open water is veranderd in moerasbos. Om dat te voorkomen, moeten we jaarlijks maaien (en rietsnijden) in de rieten graslanden en eens in de zo veel tijd de toplaag afgraven; afplaggen noemen we dat. Alleen zo kunnen we dit gevarieerde veenlandschap behouden.”

Deze tekst komt uit het magazine Staatsbosbeheer

Deze site gebruikt cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten