Ommerschans ligt ten noorden van Ommen. Het is nu voor de leek nauwelijks meer dan een modderpoel maar de kenner ontdekt er de restanten van de omgrachting en wallen van de oorspronkelijke schans in en ziet voor zijn geestesoog opmerkelijke scènes uit de krijgsgeschiedenis.

De schans werd op kosten van Groningen en Friesland aangelegd tussen 1623 en 1628 en was bedoeld om de weg die door het veen naar de noordelijke provincies liep, te beschermen tegen de Spanjaarden.
Het verdedigingswerk had toen de vorm van een vierkant met aan de Ommense kant drie puntvormige uitspringen; de bastions. Voor het geheel was een wal.
Ondanks een extra versterking in 1670 weet de bisschop van Münster (‘Bommen Berend”, eigenlijk Bernhard von Galen) de schans in 1672 zonder enige moeite in te nemen. Nog binnen het jaar keert de vrede weer en langzaamaan wordt de schans militair van minder belang.
De nog aanwezige krijgslieden hebben dan vooral last van de plaatselijke bevolking die in opstand komt tegen het verbod op vervening of het bedrijven van landbouw dicht tegen de schans.
De schans wordt in 1740 vergroot en doet dan dienst als kruitopslag. In 1820 wordt op de schans een bedelaarskolonie gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid. Deze maatschappij probeerde de verpaupering van Nederland te stoppen door bedelaars en zwervers bijvoorbeeld landarbeid te laten verrichten. In Ommerschans gebeurde dat onder dwang van soldaten.
In 1889 werd de kolonie opgeheven en de bebouwing op de schans gesloopt. Op de begraafplaats aan de Balkerweg werden bijna 5.500 inwoners van de kolonie begraven.